|
Museumverlichting, Atelier en Galerie verlichting
Het tentoonstellen van objecten in een museum of Galerie is het
accepteren van risico’s. In het geval van verlichting is dat
veelal het accepteren van lichtschade. Bij het opstellen van een
lichtplan moeten alle aspecten van museumverlichting worden
afgewogen tegen de mogelijke schade. Beschikkend over harde
onderzoeksgegevens over de relatie tussen licht en schade in
materialen, moet men een plan opstellen waarin binnen het doel
van de belichting (wat zou ik willen laten zin en op welke
wijze?), de verlichtingssterkte en de belichtingsduur worden
afgestemd op goed te accepteren schade en de periode waarin deze
dan mag optreden.
Op
dit moment zijn de Nederlandse richtlijnen voor
museumverlichting gebaseerd op de lichtgevoeligheid van
materialen, ingedeeld in verschillende klassen die ieder een
maximale verlichtingssterkte kennen: 50 lux voor gevoelig
materiaal, zoals kleurstoffen, 150 lux voor minder gevoelig
materiaal, zoals pigmenten en geen eis voor ongevoelig
materiaal, zoals metaal. Uitgaande van de museumpraktijk van
circa 3000 uren belichting per jaar wordt impliciet met een
belichtingsdosis (verlichtingssterkte maal belichtingsduur
uitgedrukt in lux uur) gewerkt, maar dat wordt in de huidige
richtlijnen niet duidelijk uitgedrukt. Bij veel gebruikers van
de richtlijnen heeft dit tot de veronderstelling geleid dat
belichting onder de gestelde grenzen onschadelijk is, terwijl
belichting boven de grenzen tot schade leidt. Niets is minder
waar, schade door licht vindt bij iedere verlichtingssterkte
plaats en is afhankelijk van het type licht, de
verlichtingssterkte en de belichtingsduur. |